Hoeveel de werkervirtualisatie draagt, hoe processor en geheugen worden toegewezen, welke reserve niet wordt uitgegeven en wanneer het platform uitbreidt of bevriest.
Nog niet bevestigd door een mens. Eigenaar: vdo89. Bron in de atlas
De werkervirtualisatie telt haar capaciteit bij N-1: wat drie van de vier werkerknooppunten dragen als één knooppunt
vrij blijft. Processor en geheugen worden per profiel toegewezen, met een quotum per naamruimte, en geboekt op de
gereserveerde capaciteit: het maximumaantal werkers plus één per applicatiecluster en het quotum per afnemer van
virtuele servers. Drempels bij 75, 90 en 100 procent sturen uitbreiding en bevriezing.
Waarom zo
Voorspelbare prestaties vragen dat geheugen niet wordt overboekt en de processor per fysieke kern begrensd blijft. De
reserve is een ontwerpvoorwaarde en geen vrije capaciteit: zij vangt onderhoud, uitval, herstel en later de overname
van bedrijfskritische diensten op. Omdat groei per server gaat en servers een levertijd hebben, rekent dit voorstel met
gereserveerde capaciteit en ligt de actiedrempel ruim vóór de harde grens.
Zo blijven de prestaties voorspelbaar. Bedrijfskritische productie rekent als reguliere productie; het verschil zit in het tweede exemplaar in de andere cel. Een meting onder belasting toont de verhoudingen aan.
De profielen delen één werkervirtualisatie. De clusterbrede toewijzingsverhouding is 4:1 per kern, ingesteld als 2 per thread omdat de virtualisatie per thread rekent; werkers en machines in reguliere en bedrijfskritische productie vragen per vCPU één thread aan en komen zo op 2:1 per fysieke kern.
Toelichting
Alternatief: aparte werkerknooppunten per profiel. Met vier werkerknooppunten versnippert dat capaciteit en reserve; het past pas bij veel meer werkerknooppunten per profiel. De processoraanvraag per machine en per NodePool is een acceptatiecriterium; terugvaloptie is 2:1 voor het hele cluster zodra reguliere productie op de werkervirtualisatie staat, en dan passen er circa 96 in plaats van 130 werkers van maat M.
Iedere naamruimte op de werkervirtualisatie heeft een quotum voor processor, geheugen, opslag en aantal machines, per afnemer vastgelegd in de dienstbeschrijving. Een aanvraag erboven wordt geweigerd.
Eén werkerknooppunt blijft vrij als reserve voor onderhoud en uitval (N-1), en ook de reserve voor overname wordt niet uitgegeven. Bij krapte komen er geen nieuwe afnemers bij.
Toelichting
Alternatief: alle werkerknooppunten vullen. Dan is er na uitval of bij onderhoud geen plaats en geen herstelomgeving. Het capaciteitsoverzicht toont de reserve.
De N-1-reserve draagt onderhoud, uitval en op afroep de herstelomgeving: zolang er één cel is, die van cel 1 zelf, met drie werkers en twee herstelservers en samen met een teruggezet applicatiecluster ten hoogste één werkerknooppunt. Vanaf groeipadstap 2 komt de overname van de diensten in bedrijfskritische productie van de andere cel erbovenop, en moeten in cel 2 twee werkerknooppunten vrij te maken zijn voor het herstel van het vlootbeheer. Bij een incident gaat overname vóór herstel en herstel vóór onderhoud.
Toelichting
Gevolg: tijdens onderhoud is er geen herstelproef.
De koude reserveserver blijft het vervangknooppunt van het clusterbeheer; de werkervirtualisatie gebruikt haar alleen tijdelijk, met een besluit van platformbeheer. Na blijvend verlies van een werkerknooppunt werkt de werkervirtualisatie zonder N-1-reserve tot de vervanger er is: dan komen er geen nieuwe afnemers bij en is er geen gepland onderhoud.
De capaciteit bij N-1 is wat drie van de vier werkerknooppunten dragen: circa 4,2 TB geheugen (3 × 1,5 TB, min circa 100 GB per knooppunt voor systeem en virtualisatie) en 384 fysieke kernen, dus 1.536 vCPU bij 4:1 of 768 bij 2:1. Dat zijn circa 130 werkers van maat M in ontwikkelen en beproeven, waar het geheugen begrenst, of 96 in reguliere en bedrijfskritische productie, waar de processor begrenst: rekenwaarden, geen verkochte capaciteit.
Toelichting
Geboekt wordt de gereserveerde capaciteit: per applicatiecluster het maximumaantal werkers plus één, per afnemer van virtuele servers zijn quotum. De werkelijke kernen, threads, het geheugen, de overhead en de plaatsbaarheid worden onder belasting gemeten op het gebruikte servertype en vastgelegd. De rekenregel staat ook op de clusterpagina.
De capaciteitsdrempels gelden voor de gereserveerde capaciteit bij N-1: bij 75 procent wordt uitgebreid, bij 90 procent bevroren, en 100 procent is de harde grens. Omdat groei per server gaat, wordt tijdig besteld.
Grens
Meting
Actie
75 procent
Gereserveerd geheugen en gereserveerde processorcapaciteit als deel van de capaciteit bij N-1; het in reeksen gereserveerde deel van het /22 op VLAN 620
Uitbreiding in gang zetten: werkerknooppunt of geheugen bestellen, met de levertijd erin; jaarlijks herijkt
90 procent
Als hierboven
Bevriezen: geen nieuwe afnemers en geen hogere maxima; alleen vervanging en herstel
100 procent
Capaciteit bij N-1
Harde grens: meer past niet na uitval van een werkerknooppunt; melding met hoge urgentie
Segmenten
Aantal clustersegmenten in de cel
Geen nieuw segment boven de in de leeromgeving aangetoonde grens voor localnet-netwerken per werkerknooppunt, of boven 1.000 per cel
Toelichting
Aanvaard restrisico: reeksen van maximum plus één vullen het /22 op VLAN 620 sneller dan het gebruik; de drempels rekenen daarom met het gereserveerde deel.
Meer geheugen helpt alleen in ontwikkelen en beproeven, tot de processor begrenst bij circa 2,1 TB per werkerknooppunt (1.536 vCPU, 192 werkers van maat M); in reguliere en bedrijfskritische productie begrenst de processor al bij 1,5 TB. Groei gaat daarom vooral per werkerknooppunt.
Toegewezen en gebruikte capaciteit is per applicatiecluster en afnemer maandelijks zichtbaar voor kostenbeheer; teams zien alleen hun eigen naamruimten.
Toelichting
De maandelijkse capaciteitsrapportage is het bewijs.